Inhoudsopgave
De Tweede Kamer heeft op 12 mei 2026 ingestemd met het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers. Daarmee zet de wetgever een stevige stap richting minder ruimte voor flex en meer nadruk op voorspelbaarheid, roosterzekerheid en duurzame inzet. Voor werkgevers betekent dit belangrijke wijzigingen in contractvormen, inzet van uitzendkrachten en de ketenregeling. De belangrijkste wijzigingen zijn hieronder verder uitgelicht.
1. Nulurencontracten verdwijnen, bandbreedtecontract geïntroduceerd
Voor reguliere werknemers verdwijnt het nulurencontract. Daarvoor in de plaats komt het bandbreedtecontract. Werkgever en werknemer spreken daarin straks een minimum én maximum aantal uren af, per periode van maximaal een kwartaal, waarbij het maximum niet meer dan 130% van het minimum mag bedragen.
Een contract van bijvoorbeeld 10 tot 40 uur per week wordt daarmee onmogelijk. Buiten de afgesproken uren hoeft een werknemer in principe niet beschikbaar te zijn. Dit beperkt de flexibiliteit voor werkgevers aanzienlijk en vergroot de roosterzekerheid voor werknemers.
Voor studenten, scholieren en AOW-gerechtigden blijft het nulurencontract wel mogelijk.
Ook is de urengrens voor scholieren en studenten verhoogd naar 16 uur per week. Pas boven die grens gaan de regels uit de ketenregeling gelden.
2. De “pauzeknop” in de ketenregeling gaat van 6 maanden naar 3 jaar
De onderbrekingstermijn – ook wel ‘de pauzeknop’ wordt verlengd van zes maanden naar drie jaar. Volgens de huidige ketenregeling ontstaat na drie tijdelijke contracten, in drie jaar, automatisch een vast contract, tenzij tussen de contracten een onderbreking van meer dan zes maanden zit. In de praktijk werd die tussenperiode van zes maanden regelmatig gebruikt om daarna opnieuw met een hele nieuwe reeks tijdelijke contracten te beginnen. Dat wordt met deze wijziging aanzienlijk bemoeilijkt.
Ook de mogelijkheid om via cao af te wijken bij opvolgend werkgeverschap verdwijnt.
Voor studenten blijven uitzonderingen bestaan en voor seizoensarbeid kan de tussenperiode onder voorwaarden worden verkort tot drie maanden.
3. Uitzendkrachten krijgen sneller vaste rechten
De positie van uitzendkrachten wordt versterkt door het inkorten van de uitzendfasen. Fase A wordt verkort van 78 naar 52 weken. Fase B wordt ingekort van maximaal zes contracten in vier jaar naar zes contracten in twee jaar. Cao-afwijkingen op deze termijnen verdwijnen. Daardoor krijgen uitzendkrachten sneller recht op een vast contract, namelijk na drie jaar.
Daarnaast kan een uitzendbeding niet meer worden gebruikt om het contract direct te beëindigen zodra een uitzendkracht ziek wordt.
4. Externe flexkrachten krijgen recht op gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden
Externe flexkrachten — zoals uitzendkrachten en gedetacheerden — krijgen recht op minimaal gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de opdrachtgever. Dat ziet niet alleen op loon, maar ook op toeslagen en overige vergoedingen.
Ook krijgen opdrachtgevers een informatieplicht richting uitleners over de arbeidsvoorwaarden.
5. Overnemen van uitzendkrachten moet makkelijker worden
Werkgevers die een uitzendkracht rechtstreeks in dienst willen nemen, lopen nu regelmatig tegen forse overnamevergoedingen aan. Dat wil de wetgever makkelijker maken door grenzen te gaan stellen aan de hoogte van zulke vergoedingen.
Invoering vanaf 2027 en 2028
Het wetsvoorstel laat een duidelijke verschuiving van flexibiliteit naar zekerheid zien. Werkgevers zullen de inzet van flexibele arbeidskrachten kritischer moeten gaan heroverwegen en voorbereiden op deze nieuwe regels. De regels over gelijke arbeidsvoorwaarden voor externe flexkrachten moeten per 1 januari 2027 ingaan. De overige onderdelen— waaronder het bandbreedtecontract, de aangepaste ketenregeling en de nieuwe uitzendfasen — volgen per 1 januari 2028, als ook de Eerste Kamer instemt.
Deze blog verscheen eerder op 22 mei 2026, op Kijk op Holland
Patricia Neijtzell de Wilde
Advocaat, Partner, Brantjes Advocaten
Deel dit artikel:
Gerelateerde artikelen

